De EU presenteert de AI Act als antwoord op belofte en dreiging van kunstmatige intelligentie: een risicogestuurd kader dat innovatie beschermt zonder burgers op te offeren. Achter de geruststellende taal schuilt een compromis dat tegelijk ambitieus en ambigu is. Kernbegrippen – van ‘hoog risico’ tot ‘foundation model’ – blijven elastisch, waardoor veel afhangt van toekomstige normen en de slagkracht van toezichthouders. Intussen tikt de markt door; bedrijven kunnen geen jarenlange regulatoire mist verdragen.
De belofte versus de praktijk
Het risicogestuurde model klinkt verstandig: hoe hoger het risico, hoe strenger de plicht. In de praktijk opent dit ruimte voor creatieve compliance. Bedrijven ontwerpen producten net onder drempels, terwijl de werkelijke impact op burgers diffuus blijft. Voor kmo’s dreigt een papieren last die wendbaarheid smoort; voor Big Tech is het een kostenpost die ze internaliseren—en die concentratie verder versterkt. Regelgeving die inclusie beoogt kan zo de asymmetrie ironisch verdiepen.
Transparantie die niet transparant is
Transparantievereisten voor generatieve modellen en datasets zijn principieel juist, maar operationeel onvolledig. Openbaarmaking zonder standaardisatie creëert een doolhof van pdf’s, niet‑verifieerbare claims en audit‑washing. Zonder bindende testprotocollen, reproduceerbare evaluaties en onafhankelijke toegang tot modelkaarten blijft de black box intact. De burger krijgt informatie, maar zelden inzicht.
Handhaving als achilleshiel
Handhaving is de achilleshiel. Toezichthouders kampen met onderbezetting en versnipperde mandaten; nu komt daar een technisch complex domein bij. Zonder gedeelde tooling, gezamenlijke testbeds en meldplichten dreigt een reactieve bureaucratie die achter innovatie aanloopt. ‘Regulatory sandboxes’ zijn nuttig, maar alleen als ze geen dispensatiemachine worden. Publieke capaciteit is geen bijzaak; ze is de voorwaarde waaronder elke norm betekenis krijgt.
De geopolitieke ruis
Europa zegt strategische autonomie te willen, maar het speelveld wordt gedomineerd door Amerikaanse hyperscalers en Chinese staatskapitaalmodellen. Als conformiteit duurder wordt dan capaciteitsopbouw, exporteren we innovatie en importeren we risico. Het alternatief is nuchter: harde interoperabiliteitsnormen, gedeelde evaluatiestandaarden en referentie‑architecturen die instapkosten verlagen. Niet minder regels, wel scherpere regels, meetbaar en handhaafbaar. Anders resteert een fraai kader om naar te wijzen wanneer het al te laat is.
















